Floating prison

Ruth, 28-01-2010 09:07

floating prison ‘Weet je hoe wij een schip noemen?’ Vraagt de Filippijnse chef kok, wanneer ik zijn keuken na een bezoekje uitwandel met een stukje zoete kerstscake. ‘Floating prison’.

Ik heb ondertussen al door dat mijn geromantiseerd beeld van het zeemansleven aan bijstelling toe is. Vrijheid, exotische bestemmingen, één met de vier elementen, camaraderie… iedereen kijkt me met doffe ogen aan wanneer ik daarover begin.

‘Hoe kan je een job fijn vinden als je negen maanden per jaar van huis weg bent? Als je kinderen opgroeien zonder vaderfiguur? Als je de huwelijksfeesten van je zussen en de begrafenis van je vader moet missen?’ ‘Als je negen maanden op een paar vierkante meter leeft en 90% van de tijd water ziet of je te pletter zweet in de oorverdovende catacomben van de motorkamer?’ De verhalen zijn pijnlijk gelijkaardig.

In de Filippijnen is er niet voldoende werk en van de lonen kan je niet fatsoenlijk leven, land kopen of je kinderen naar een goede school sturen. Dus kies je, net als je vader, nonkel of broers, voor het zeemansleven. Lokale agentschappen rekruteren bemanning voor internationale schepen, waar je beter betaald wordt en bovendien niet belast wordt op je salaris. Dat salaris varieert van 1300 US dollar voor een gewone zeeman tot 3500 US dollar voor een officier. De eerste heeft een contract van negen en de tweede één van zes maanden. Tussen twee contracten blijven ze een maand of twee, drie thuis.

Een ‘able body’ vertelt dat hij terug moest uitvaren vijf dagen na de geboorte van zijn eerste zoon. Toen hij negen maanden later thuis kwam, kende zijn zoon hem niet en had hij tientallen ‘eerste keren’ gemist. Opdat er toch een band zou zijn tussen vader en pasgeborene, neemt de zeeman traditioneel een kledingstukje van zijn kindje mee aan boord en zelf laat hij ook een stuk –ongewassen- kledij achter, dat naast het hoofdkussen van het kindje blijft liggen tot de vader terugkomt.

Exotische bestemmingen dan? Ach, in de meeste havens blijft het schip maar net lang genoeg liggen om te laden en te lossen. Een havenbezoek is dus altijd kort en beperkt zich tot de eerste winkelopportuniteit om cadeautjes voor het thuisfront te kopen of ingenieuze instrumenten om met dat thuisfront te communiceren. Er is geen internet aan boord en behalve wanneer er dicht genoeg bij de kust gevaren wordt, heb je ook niets aan je mobiele telefoon. Veel bemanningsleden hebben dus een kleine laptop en een speciale wifi ontvanger. In bepaalde havens kan je een USB-modem kopen en een een paar uur internetkrediet. Voor deze mannen is Facebook geen voyeuristische frivoliteit maar een reddingsboei voor de mentale gezondheid.

Ik luister naar de dromen en plannen voor een volgend professioneel leven . Ze zijn divers maar één ding hebben ze gemeen: stuk voor stuk spelen ze zich aan wal af.