‘We zouden een geldinzamelactie moeten organiseren’ denken we, als onze lieve vriend M. ons vertelt dat hij zijn Engelse lessen heeft moeten stopzetten. Hij spreekt ‘Fenglish’ met ons, een misj-masj taal die het huwelijk is tussen de melodieuze poëzie van het Farsi en de directe efficiëntie van het Engels. Vorig jaar was hij nog een wandelend handboek Engels en waren wij zijn proefkonijnen. Nu zijn de lessen te duur geworden.
M. heeft zeven broers en zussen en een baan waarvan zijn talenten indommelen en zijn bankrekening zelfmoordneigingen krijgt. Zonder kennis van het Engels, valt zijn plan om hogerop te komen op de Iraanse sociale ladder in duigen.
‘We zouden een geldinzamelactie moeten organiseren’, denken we een paar dagen later nog eens. We eten saffraangebak in de sofa van R, een jonge ingenieur gespecialiseerd in nano-technologie-die-onze-pet-te-boven-gaat. Hij werd uitgenodigd voor een conferentie in Canada en zou er spreken en toponderzoekers uit zijn vakgebied ontmoeten. Omdat hij het geld niet heeft voor de vliegreis en het logement, gaat de unieke uitstap niet door.
We worden stil van de confrontatie met het economisch onevenwicht. Wij reizen immers de hele wereld rond. Niet met wetenschappelijke of sociale aspiraties. Just for fun.
Ik zou een stukje van mijn geluk willen doorgeven, zoals je bloed geeft in een caravan van het Rode Kruis. Met een koekje als beloning.
Hoe komt het dat onze drang om te helpen zo groot is, vragen we ons af. Groter nog dan bij de ontmoeting met arme nomaden in Java of ondervoede bedelaars in India. Ik denk dat het te maken heeft met herkenning. Tussen ons en M. en R. zit geen culturele kloof of een exotische levenswijze. Zij zijn zoals wij. Wij zijn zoals zij. Jonge, intelligente (al zeggen we het zelf) mensen met dromen en idealen. Alleen krijgen wij kansen en zij niet. Voor ons is de vrije sky the limit en voor hun is dat de bodem van hun skai portefeuille. In een prachtig land, dat wel.
‘Zouden we een geldinzamelactie organiseren?’ vragen we ons af, als we dagen na de voorziene terugreis nog in dat mooie land zijn. De Europese luchthavens zijn gesloten, ons visum is verstreken en het meegebrachte cash geld is op (internationale betaalkaarten zijn hier enkel goed om wankele tafelpoten mee vast te zetten). Maar wij zijn zondagskinderen. Het visum wordt dankzij een kolonel op rust zeven dagen verlengd en geld komt eraan via Azerbaidjan.
Het is niet eerlijk.
Waar staat de gelukscaravan?

{ 2 comments… read them below or add one }
Nee, het is niet eerlijk… en ik vrees dat het altijd zo zal blijven in deze grote oneerlijke wereld waar wij op de juiste plek geboren zijn…
Door 5 jaar in Zuid-Afrika gewoond te hebben, zijn we 5 jaar lang elke dag geconfronteerd geweest met armoede en doffe ellende. Je kan daar een tijdje de ogen voor sluiten, maar vroeg of laat begint het aan je te knagen. Echter, eens je daar weg bent, dan verdwijnen die gedachten naar de achtergrond en vergeet je dat allemaal. Je komt weer in je eigen wereld terecht met je eigen problemen …..
We zijn zondagskinderen, en dan nog van de uitverkoren soort. Dat beseffen is al een hele stap.